Lopen naast de fiets: Een paar tips

Lopen naast de fiets kan voor een hond een goede vorm van lichaamsbeweging zijn. Doordat de hond rechtuit loopt in een regelmatig tempo worden hierbij spieren opgebouwd zonder dat de gewrichten zwaar belast worden, zoals wel gebeurt bij springen of draaien. Voor de eigenaar is het vaak een manier om zijn hond binnen relatief korte tijd toch veel te kunnen laten lopen.

Niet voor elke hond is het lopen naast de fiets aan te raden. Sommige rassen zijn hiervoor niet of minder geschikt vanwege hun bouw of afmetingen. Kortneuzige honden, zoals bijvoorbeeld de Franse en Engelse Bulldog, de Boston Terriër, Tibetaanse Spaniël en de Shih Tzu, ademen door de bouw van hun kop minder makkelijk. Ze raken dan ook eerder buiten adem. Ook honden met poten die niet recht onder het lichaam staan, zoals de Engelse Bulldog, of heel zwaar gebouwde honden, zijn niet geschikt om einden te rennen. Kleine honden zoals Chihuahua’s, Maltezers en dergelijke kunnen best goed rennen, maar moeten met hun korte pootjes relatief veel harder rennen bij eenzelfde fietstempo. Ook voor hen is fietsen al snel te belastend. Rassen met korte poten en een lange rug, zoals de Teckel, zijn doorgaans ook geen goede dravers.
Ook kan het zijn dat je hond in theorie weliswaar geschikt is om een eind te draven, maar dat hij beperkt wordt door zijn gezondheid of levensfase. Pups en heel jonge honden kunnen nog niet met de fiets meerennen. Dit is een te grote belasting voor de nog niet goed ontwikkelde gewrichten. Oude honden hebben vaak minder conditie, ook voor hen kan het lopen naast de fiets te zwaar worden. Honden met gezondheidsproblemen, zoals ernstige gewrichtsklachten, rugklachten of problemen met ademhaling, hart en bloedsomloop zijn uiteraard ook niet geschikt voor een dergelijke vorm van intensieve lichaamsbeweging. 

Aanleren en opbouwen

Het lopen naast de fiets moet rustig aangeleerd en opgebouwd worden. In de eerste plaats moet de hond leren om netjes naast een fiets te blijven lopen. Het beste kun je daarom beginnen door met de fiets aan de hand te lopen en de hond er aan te wennen om rustig mee te lopen. In eerste instantie loop je zelf tussen hond en fiets in, daarna laat je de hond aan de andere kant van de fiets meelopen. Gaat dit goed dan kun je proberen om een aantal meters te fietsen. Vraag eerst iemand anders om met je hond aan de lijn met jou en de fiets mee te lopen. Je fietst uiteraard heel langzaam.
Het is bij het fietsen nooit de bedoeling dat de hond moet galopperen! Bij draven is er geen sprongmoment, de hond wisselt de vier poten in een regelmatige gang af en de rug gaat nauwelijks op en neer. Oefen dit regelmatig hele korte stukjes. Als de hond heeft geleerd om rustig door te lopen, kun je zelf de riem overnemen en hele korte stukjes gaan oefenen met draven naast de fiets. Dit doe je pas vanaf een leeftijd van een half jaar. Je maakt nog geen tochtjes.

Een goede uitrusting

Beter is het om een speciale fietshouder, een stang met of zonder veer, te gebruiken. Hieraan maak je de hond vast. Als de hond nu trekt of uitwijkt, vangt de veer de klap op. Het lopen aan zo’n speciale stang moet natuurlijk ook geoefend worden. Bij het fietsen is het beter om een tuig te gebruiken dan een gewone halsband. Als er iets gebeurt (de hond staat ineens stil, loopt aan de verkeerde kant van een lantarenpaal of jij komt te vallen) dan wordt de ruk aan de lijn door het hele lichaam opgevangen. Bij een halsband komt de hele klap op de nek van de hond terecht, wat de nekwervels kan beschadigen.

Wat wel en niet doen

BASISBEGINSELEN

  • Niet fietsen als het heet is.
  • Altijd water meenemen.
  • Niet fietsen binnen 2 uur na het eten of een half uur voor het eten i.v.m. maagtorsie.
  • Controleer regelmatig de voetzooltjes.
  • Zorg dat jullie allebei goed zichtbaar zijn in het donker.
  • Laat de hond niet over grind lopen.
  • Heb je geen speciale fietshouder, bind dan nooit de riem aan de fiets vast en sla hem niet om je pols.
  • Niet fietsen langs drukke wegen.
  • Laat de hond zijn behoefte doen voordat je gaat fietsen.
  • Pas jouw tempo aan dat van de hond aan, niet andersom. Zorg ervoor dat de hond blijft draven en niet hoeft te galopperen. Zorg dat de lijn niet strak komt te staan.
  • Hou de tijd in de gaten en denk erom dat je ook weer terug moet.

Bron: Hart voor dieren oktober 2016