Melkkliertumoren bij de kat

Melkkliertumoren zijn de op 2 na meest voorkomende tumoren bij de kat. We zien deze tumoren vooral bij oudere, vrouwelijke katten. Siamese katten zouden meer risico lopen op het ontstaan van melkkliertumoren. Een hormonale oorzaak wordt vermoed bij katten. Een groot verschil met honden is dat bij katten ongeveer 80-90% van de melkkliertumoren kwaadaardig is, in tegenstelling tot 50% bij de hond.

Geslachtshormonen

Geslachtshormonen spelen een rol bij het ontstaan van de tumoren. Net zoals bij honden kan sterilisatie het risico op het ontstaan van melkkliertumoren sterk verminderen. In melkkliertumoren bevinden zich bepaalde receptoren voor oestrogeen en progesteron (voortplantingshormonen). Door op jonge leeftijd te steriliseren, en zo de productie van deze hormonen te stoppen, proberen we het melkklierweefsel minder gevoelig te maken voor het ontstaan van tumoren. Toch kunnen ook katers melkkliertumoren ontwikkelen. De poezepil (werkzame stof megestrolacetaat) kan het ontstaan van melkkliertumoren in de hand werken. Ook kan dit krolsheidonderdrukkende middel een goedaardige zwelling van het melkklierweefsel (fibro-adenomateuze hyperplasie) geven, dat niet tumoraal is. Dit wordt ook wel het 'Dolly Parton' syndroom genoemd. Na sterilisatie wordt de zwelling meestal snel minder of verdwijnt zelfs helemaal. Deze goedaardige zwelling van het melkklierweefsel komt vooral voor bij jonge katten (6 maanden tot 2 jaar), meestal jonger dan 1 jaar. Door de negatieve gevolgen van de poezepil heeft sterilisatie onze voorkeur boven de poezepil.

Bultjes in het melkklierweefsel

Meestal is het eerste wat opvalt één of meerdere bultjes in het melkklierweefsel. Bij katten komen de tumoren in alle melkklierpakketten even vaak voor (bij de hond meestal in de achterste melkklierpakketten). De tumoren kunnen ook ulcereren (ontsteken of zweren). Soms kan er wat uitvloei via de tepel plaatsvinden. Wanneer we een bultje voelen in de melkklieren denken we gauw aan tumoren, maar ook tumoren uitgaande van een ander weefsel dan melkklierweefsel, ontsteking van de melkklieren, of een goedaardige zwelling van het melkklierweefsel zijn mogelijk.

Behandeling

Wanneer we een dier verdenken van een melkkliertumor is een uitgebreid bloedonderzoek aan te raden. Zo krijgen we een goed beeld van de orgaanfuncties en het bloed (witte en rode bloedcellen).
We kunnen het bultje in de melkklieren aanprikken en de cellen laten onderzoeken (cytologie). Door middel van cytologie kunnen we niet het onderscheid goed- of kwaadaardige tumor maken, maar wel het onderscheid tussen tumor en ontsteking of cyste. De definitieve diagnose kan pas gesteld worden na het laten onderzoeken van het tijdens de operatie verwijderde weefsel (histologisch onderzoek).
Aangezien melkkliertumoren kunnen uitzaaien, is het maken van een röntgenfoto van de longen verstandig. Wanneer er al uitzaaiingen zichtbaar zijn, is de prognose niet goed en wordt een operatie niet aangeraden. Wanneer er op de röntgenfoto geen uitzaaiingen te zien zijn, wil dit niet zeggen dat ze er niet zijn, aangezien sommige uitzaaiingen microscopisch klein zijn. Ook kunnen melkkliertumoren uitzaaien naar de lymfeklieren. Zo kan tijdens het algemeen onderzoek van uw kat al opvallen dat deze vergroot zijn. Wanneer uitzaaiingen in de lymfeklieren vermoed worden, maakt ook dit de prognose slechter.

Goed- of kwaadaardig

De meeste melkkliertumoren bij katten zijn kwaadaardig (80% tot 90%). Deze tumoren hebben sterk de eigenschap om uit te zaaien. De prognose hangt vooral af van de grootte van de tumor en het tijdstip waarop de tumor ontdekt wordt. Wanneer de tumor kleiner is dan 2 cm, is de overlevingstijd gemiddeld meer dan 3 jaar. Bij tumoren die groter zijn dan 3 cm is de overlevingstijd ongeveer 4-6 maanden.

Operatie

Het belangrijkst in de behandeling van melkkliertumoren bij zowel hond als kat is het verwijderen van de tumor. Bij katten wordt meestal in één keer de volledige melklijst (alle 5 de melkklieren) aan één kant verwijderd. Wanneer de tumor alleen lokaal wordt verwijderd, treden vaak wel weer eerder klinische klachten op, maar uit onderzoek blijkt dit geen verschil te maken voor de overleveningstijd. Op basis hiervan kan dus ook minder agressieve chirurgie uitgevoerd worden. Bestraling wordt bij katten niet ingezet. Eventueel zou chemotherapie ingezet kunnen worden om de overlevingstijd na chirurgie te verlengen, maar in de praktijk wordt dit niet vaak toegepast.