Anesthesie bij huisdieren

We hopen natuurlijk dat anesthesie (narcose) zo min mogelijk nodig is, maar in sommige situaties is het beter om een dier onder narcose te brengen. We beslissen dat altijd samen met u.

Redenen

Er zijn verschillende redenen om een dier onder narcose te brengen:

  • Schuwe of gevaarlijke dieren die zeer moeilijk te behandelen zijn, kunnen we onder narcose brengen om ze zonder gevaar voor ons en het dier te onderzoeken en behandelen.
  • Voor onprettige of pijnlijke onderzoeken.
  • Bij röntgenfoto’s waarvoor uw huisdier in een bepaalde houding moet blijven zitten of liggen.
  • Bij kleine en grote chirurgische ingrepen.

Wat is anesthesie?

Bij anesthesie worden enkele belangrijke lichaamsfuncties tijdelijk uitgeschakeld (vergiftigd). Het gaat bijvoorbeeld om pijngewaarwording en reflexen.

Risico's

Alle vormen van anesthesie brengen een risico voor een dier met zich mee, zelfs voor gezonde dieren. Toch ondergaan de meeste huisdieren één of meer narcoses in hun leven. Voor een gezond dier heeft de narcose meestal geen nadelige gevolgen en raken basale lichaamsfuncties (hartslag, ademhaling en bloeddruk) niet ernstig verstoord.

Sommige dieren hebben voor de operatie al problemen met het hart, de longen, de nieren of de lever - organen die zorgen voor de opname, verdeling en uitscheiding van de gifstoffen. Deze dieren hebben een groter risico op levensbedreigende complicaties tijdens of na de operatie. Het is daarom van groot belang dat we de gezondheidstoestand van uw dier goed kennen.

Het pre-anesthetisch onderzoek

Voordat een dier onder narcose gaat doen we altijd een pre-anesthetisch onderzoek. Zo’n onderzoek bestaat uit een uitgebreid klinisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bloed- en urineonderzoek en soms röntgenfoto’s of een echo.

Bij grote honden boven de 5 jaar, kleine honden boven de 7 jaar en katten boven de 9 jaar adviseren wij altijd om een pre-anesthetisch bloedonderzoek uit te laten voeren.

Anesthesievormen

De verrdoving vindt plaats door stoffen (anesthetica) toe te dienen. Dit kan op verschillende manieren, die ieder hun voor- en nadelen hebben.

Lokale verdoving
We kunnen slijmvliezen lokaal verdoven met een spray. Daarnaast kunnen we door middel van een injectie, zenuwuitlopertjes ter plekke verdoven. Dit doen we door een verdovende vloeistof in en rondom het operatiegebied te spuiten. Bij hele rustige of oude dieren die een kleine, oppervlakkige ingreep moeten ondergaan, kunnen we voor lokale verdoving kiezen. Deze methode wordt vooral gebruikt bij kleine huidgezwelletjes zoals wratjes of wonden die gehecht moeten worden. Het nadeel is dat de dieren bij bewustzijn blijven en we ze soms erg goed moeten vasthouden tijdens de ingreep.

Algehele anesthesie
Bij algehele anesthesie is sprake van:

  • Een totaal verlies van bewustzijn
  • Verlies van pijngewaarwording
  • Geheugenverlies
  • Spierverslapping

Elk van deze kenmerken kan afzonderlijk door bepaalde middelen worden bereikt, maar de meeste anesthetica veroorzaken meerdere kenmerken. 

Een algehele anesthesie bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Premedicatie
  • Inleiding
  • Onderhoud
  • Recovery

Premedicatie

De premedicatie bestaat meestal uit een combinatie van rustgevende en pijnstillende middelen, waardoor het dier rustig voorbereid kan worden op de operatie en een kleinere hoeveelheid van het eigenlijke anesthesiemiddel nodig is.

Inleiding

Bij de inleiding wordt het dier in slaap gebracht. Bij honden plaatsen wij altijd een braunule met een waakinfuus. De anesthesiemiddelen kunnen dan via het infuus toegediend worden, waardoor we zeker weten dat het anesthesiemiddel in de bloedbaan terecht komt. Katten geven we een injectie in een spier. Bij katten met een verhoogd anesthesie-risicio wordt er ook altijd een waakinfuus aangelegd.

Onderhoud

Onderhoudsanesthesie wordt gegeven als de gewenste anesthesiediepte bereikt is en de operatie langer duurt dan de pre-medicatie en de inleiding verdoving bieden. De onderhoudsanesthesie bestaat uit inspuitbare anesthesiemiddelen of uit gasanesthesie. Wij gebruiken de inspuitbare methode vrijwel uitsluitend voor kleine, kortdurende ingrepen waarbij we zeker weten dat we de ingreep binnen de totale narcosetijd gedaan kan worden. In andere situaties gebruiken wij altijd gasanesthesie.

Gasanesthesie

Gasanesthesie heeft goede regel- en bewakingsmogelijkheden en is erg veilig. Daarom heeft deze methode onze voorkeur. Als het dier na de inleiding slaperig genoeg is, wordt hij geïntubeerd: hij krijgt een tube (buisje) in de luchtpijp. Met een cuff (opblaasbaar kussentje) zorgen we ervoor dat de luchtpijp alleen via de tube gas binnen kan krijgen. Als het dier moet braken of er bijvoorbeeld bij een tandheelkundige ingreep spoelvloeistof in de keel loopt, kan dit niet in de luchtpijp komen.

De tube is verbonden met het anesthesieapparaat. Via dit systeem worden de narcosegassen (zuurstof en isofluraan) toegediend en de afvalgassen weer afgevoerd. Bewakingsmonitoren geven ondertussen veel informatie, zoals:

  • De ademhaling (frequentie, diepte, gebruikte volume, samenstelling van de in- en uitademinggassen);
  • Hart (frequentie, regelmaat, ritme, zo nodig kan er een uitdraai van het ecg gemaakt worden);
  • Bloedgassen (gehalte van zuurstof en narcosegassen);
  • Lichaamstemperatuur (met een warmtemat houden we de temperatuur op peil).

De diepte en de duur van de narcose zijn met gasanesthesie vrij exact te regelen. Afwijkingen zien we snel op de monitoren; bij complicaties kunnen we de patiënt direct zuurstof toedienen, beademen en de toevoer van anesthesiegas stopzetten.

Het nadeel van deze techniek is dat het gebruik niet eenvoudig is en de aanschaf van deze apparatuur prijzig is. Daarnaast is er altijd een assistente nodig om de apparatuur te bedienen; wij hebben hiervoor speciaal opgeleide paraveterinair assistentes.

Recovery

De recovery is de periode vanaf het begin van de uitleiding (het stopzetten van het toedienen van anesthetica) tot het moment dat alle gevolgen van de anesthesie geheel verdwenen zijn. In deze periode maakt de patiënt alle stappen in omgekeerde volgorde door. Het onderdrukte bewustzijn wordt weer helder, de ondergedrukte gewaarwording van pijn komt weer terug, de spierverslapping neemt af en de patiënt gaat zich weer bewegen.

Als uw dier bij kennis komt, is onze zorg gericht op het herstel. Door de anesthesie is de lichaamstemperatuur gedaald, en ook de ademhaling en bloedsomloop zijn wat geremd. Het dier moet in een warme ruimte liggen. Voor de kleine dieren hebben wij een couveuse waarbij we de temperatuur kunnen instellen en zuurstof kunnen toedienen. Alle hokken in de recovery beschikken over warmtelampen, waarmee we extra warmte kunnen geven.

Welke anesthesie gebruiken we?

Ieder dier vereist een afgestemde anesthesie op zijn specifieke situatie. Op grond van het uitgebreide pre-anesthetisch onderzoek bepalen we welke anesthesievorm gebruikt gaat worden en welke middelen we daarvoor gebruiken.

De middelen hebben verschillende bijwerkingen. Zo heeft het ene middel veel invloed op de bloeddruk, en het andere op de ademhaling. Voor een jonge gezonde hond zullen we een ander middel gebruiken dan bij een oudere hond met klachten. We gebruiken bijvoorbeeld bij een keizersnede van een teef een sedatie met gasanesthesie, aangevuld met een plaatselijke verdoving op de buik. Het is voor de jongen namelijk niet goed om met anesthesiemiddelen in contact te komen.

Hoe gaat het in zijn werk?

Om voorafgaand aan de ingreep uw dier pre-anestetisch te onderzoeken verzoeken wij u om uw dier op de afgesproken dag voor 10.00 uur te brengen. Zo hebben wij voldoende tijd om uw dier op zijn gemak te stellen, te onderzoeken, pre-medicatie te geven en ons zelf voor te bereiden op de anesthesie en ingreep. Uw dier blijft altijd in de kliniek totdat hij goed wakker is. Oftewel uw huisdier gaat lopend de deur uit!