EPI, Exocriene Pancreas Insufficiëntie

EPI, Exocriene Pancreas Insufficiëntie bij de hond

Exocriene Pancreas Insufficiëntie (EPI) is een ziekte van de pancreas (alvleesklier) die wordt veroorzaakt door onvoldoende aanmaak van alvleesklierenzymen. Bij bepaalde rassen komt de aandoening vaker voor. Deze honden hebben een slechte vertering van hun voer. Typisch is de volumineuze ontlasting in combinatie met goede eetlust en gewichtsverlies. Door middel van de klinische symptomen en een bloedtest wordt de diagnose gesteld. Behandeling bestaat onder andere uit het supplementeren van verteringsenzymen.

Voorkomen en oorzaak EPI

EPI komt vaker voor bij de Duitse Herder. In dit ras wordt een erfelijke oorzaak vermoed. Ook ruwharige Collies en Euraziërs zijn gevoeliger voor de aandoening. Bij deze rassen is het meestal de idiopatische vorm (oorzaak onbekend). Er is een atrofie (afwezigheid) van de cellen die de verteringsenzymen aanmaken. Vaak zien we dit op een leeftijd van 1-2 jaar. Hierdoor is er een tekort aan alle alvleesklierenzymen. Ook bij oudere honden kan de aandoening voorkomen, vaak ten gevolg van een chronische pancreatitis (ontsteking van de alvleesklier), waardoor het weefsel van de alvleesklier beschadigd is geraakt.

Symptomen bij de hond

Bij honden met Exocriene Pancreas Insufficiëntie treedt een slechte vertering op door onvoldoende aanmaak van alvleesklierenzymen. In de alvleesklier worden enzymen gemaakt die instaan voor de vertering van koolhydraten, vetten en eiwitten. Deze spijsverteringsenzymen zijn bij afgifte nog inactief. Ze worden in de dunne darm pas geactiveerd om de afbraak van de alvleesklier door zijn eigen enzymen te voorkomen. Ook zorgt de alvleesklier voor de productie van bicarbonaat, wat nodig is om het in de dunne darm terechtgekomen maagzuur te neutraliseren. Maagzuur kan de spijsverteringsenzymen namelijk minder werkzaam maken in de dunne darm.   
Pas wanneer meer dan 90 % van het alvleesklierweefsel verloren is gegaan, zien we klinische symptomen. Typisch hebben deze honden gewichtsverlies en slappere ontlasting. Ook is de hoeveelheid ontlasting veel groter en moeten ze veel vaker poepen dan normaal. De ontlasting is vaak stopverfkleurig, en soms zien we nog onverteerde etensresten. Vaak zien we hierdoor een verstoring van de normale bacteriën in de dunne darm.
Honden met Exocriene Pancreas Insufficiëntie hebben een slechte vacht, veel darmgeluiden en winderigheid. Ook zien we vaak een verhoogde eetlust en het eten van poep en andere 'vreemde' dingen.
In zeldzame gevallen wordt ook het deel van de alvleesklier aangetast dat instaat voor de suikerhuishouding. Hierbij zou dan suikerziekte kunnen ontstaan.

Diagnose EPI

Voor de diagnose van Exocriene Pancreas Insufficiëntie wordt TLI bepaald in het bloed. Deze waarde geeft weer hoe 'actief' de alvleesklier is. Bij honden met Exocriene Pancreas Insufficiëntie is deze waarde lager dan < 2.5 µg/L. Het is belangrijk dat de hond nuchter is voor de bloedafname.
Wanneer reeds gestart is met het supplementeren van verteringsenzymen is het testen van de TLI waarde niet zinvol, aangezien dit de alvleesklier zelf niet meer aanzet tot productie.  
Ook kan het nuttig zijn andere waarden te meten in het bloed zoals cobalamine, foliumzuur en de leverwaarden.

Behandeling

De behandeling bestaat vooral uit het supplementeren van verteringsenzymen, meestal in poedervorm. Deze behandeling is levenslang. Het poeder kan door het voer gemengd worden, waarna even gewacht wordt met toedienen. Wanneer een hond dit poeder niet goed accepteert, kan altijd rauwe alvleesklier afkomstig van bijvoorbeeld rund, varken of schaap gegeven worden.
Qua dieet kan het best gekozen worden voor een hoge kwaliteit onderhoudsvoer. Voer dat vetarm is of juist vezelrijk dient vermeden te worden.
Veel honden met Exocriene Pancreas Insufficiëntie hebben ook een tekort aan cobalamine (vitamine B12). Bij een tekort kan dit gesupplementeerd worden door middel van injecties (1x per week gedurende 6 weken) waarna het tekort meestal herstelt.
De meeste honden reageren al prima op enzym supplementatie en cobalamine-injecties. Toch is er ook een heel aantal dieren dat onvoldoende verbetering laat zien. Hierbij is het belangrijk eventueel andere aandoeningen vast te stellen en indien mogelijk ook te behandelen. Vaak hebben ze bijvoorbeeld een overgroei van bacteriën in de darm, waarna we meestal starten met probiotica of antibiotica.
Wanneer de klachten dan nog onvoldoende verbeteren, starten we met antacida (middel dat maagzuur neutraliseert). Het teveel aan maagzuur kan namelijk de verteringsenzymen vernietigen in de maag.
Pas als laatste optie kan toch afgeweken worden naar een vetarm dieet.

Prognose Exocriene Pancreas Insufficiëntie bij honden

Bij honden met Exocriene Pancreas Insufficiëntie is een levenslange behandeling nodig. Bij een goede reactie op de therapie, is de prognose gunstig. Af en toe kan een terugval optreden, waarna enkele bloedonderzoeken en bijkomende therapie nodig kunnen zijn. Wanneer een erfelijke oorzaak wordt vermoed, wordt het afgeraden met deze honden te fokken.

 

Exocriene-pancreas-insufficiëntie-EPI